Verpakkingsinstructie

Verpakkingsinstructie LP906

LP906

Wat betekent LP906?

Verpakkingsinstructie LP906 uit ADR 2025, deel 1 van 1

De volgende grote verpakkingen zijn toegestaan, op voorwaarde dat aan de algemene voorschriften van 4.1.1 en 4.1.3 is voldaan:
Stijve grote verpakkingen die voldoen aan het prestatieniveau voor verpakkingsgroep I, vervaardigd van. staal (50A);
(1) De grote verpakking moet aan de volgende aanvullende prestatie-eisen voldoen in geval van snel uiteen vallen, gevaarlijke reactie, productie van een vlam of een gevaarlijke hitte-ontwikkeling of een gevaarlijke uitstoot van giftige, bijtende of brandbare gassen of dampen van de batterij:
a) De temperatuur van het buitenoppervlak van de geassembleerde verpakking mag niet hoger zijn dan 100 °C. Een tijdelijke temperatuurpiek van maximaal 200 °C is toelaatbaar;
e) De grote verpakkingen moeten een gasbeheerssysteem hebben (bijv. filtersysteem, luchtcirculatie, opvangsysteem voor gas, gasdichte verpakking, enz.), voor zover van toepassing.
(2) De aanvullende prestatie-eisen voor de grote verpakking moeten worden geverifieerd door proeven, als gespecificeerd door de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die ook een proef kan erkennen als gespecificeerd door de bevoegde autoriteit van een land dat geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR is, op voorwaarde dat de proef is gespecificeerd in overeenstemming met de toepasselijke procedures in het kader van het RID, ADR, ADN, de IMDG Code of de Technische Instructies van de ICAOa.
Een verificatierapport moet op verzoek beschikbaar worden gesteld. Als minimum vereiste moet in het verificatierapport worden vermeld: de naam van de batterijen, het type zoals gedefinieerd in sectie 38.3.2.3 van het Handboek beproevingen en criteria, het maximale aantal batterijen, de totale massa, de totale energie-inhoud, de identificatie van de grote verpakking en de beproevingsdata in overeenstemming met de verificatiemethode als gespecificeerd door de bevoegde autoriteit. Een reeks van specifieke instructies die beschrijven hoe de verpakking te gebruiken moet ook deel uitmaken van het verificatierapport.
(3) Indien droogijs of vloeibare stikstof als koelmiddel wordt gebruikt, zijn de voorschriften van 5.5.3 van toepassing. De binnenverpakking en de buitenverpakking moeten hun goede staat behouden bij zowel de temperatuur van het gebruikte koelmiddel als de temperaturen en drukken die het gevolg kunnen zijn van het wegvallen van de koeling.
(4) De specifieke instructies voor het gebruik van de verpakking moeten beschikbaar worden gesteld door de fabrikanten van de verpakking en vervolgens door de distributeur aan de afzender. Deze omvatten ten minste de identificatie van de batterijen en de apparaten die de verpakking mogelijk kan bevatten, het maximale aantal batterijen dat de verpakking mag bevatten en de maximale energie-inhoud evenals de configuratie binnenin de verpakking, inclusief de scheiding en bescherming zoals toegepast tijdens de prestatie verificatie beproevingen.
Aanvullend voorschrift:
De batterijen moeten beschermd zijn tegen kortsluiting. a De volgende relevante criteria mogen worden gebruikt om het prestatieniveau van de grote verpakking te testen:
a) De beoordeling moet gedaan worden volgens een kwaliteitsbeheerssysteem (zoals beschreven in randnummer 2.2.9.1.7.1 e)) wat het mogelijk maakt om de testresultaten, referentiedata en modelkarakterisering na te gaan;
b) De lijst met gevaren die verwacht worden in het geval van een thermische run-away voor het batterijtype, in de conditie zoals het wordt vervoerd (bijv. gebruik van een binnenverpakking, mate van opladen (SOC), gebruik van voldoende onbrandbaar, elektrisch niet-geleidend en absorberend opvulmateriaal, enz.), moet duidelijk geïdentificeerd en gekwantificeerd worden; de referentielijst van mogelijke gevaren voor lithiumbatterijen (bijvoorbeeld snel uiteen kunnen vallen, gevaarlijk kunnen reageren, productie van een vlam dan wel een gevaarlijke hitte-ontwikkeling of een gevaarlijke uitstoot van giftige, bijtende of brandbare gassen of dampen) kan hiervoor worden gebruikt. De kwantificering van deze gevaren moet gebaseerd zijn op wetenschappelijke literatuur;
c) De mitigerende effecten van de grote verpakking moeten geïdentificeerd en gekarakteriseerd worden, gebaseerd op de eigenschappen van de toegepaste bescherming en de eigenschappen van het constructiemateriaal. Een lijst met technische karakteristieken en tekeningen moet worden gebruikt om deze beoordeling te ondersteunen (dichtheid (kg·m3, soortelijke warmte (J·kg-1·K-1), warmtecapaciteit (kJ·kg-1), thermische geleidbaarheid (W·m-1·K-1), smelttemperatuur en ontvlambaarheidstemperatuur [K], warmteoverdrachtscoëfficiënt van de buitenverpakking (W·m-2·K-1), …);
d) De test en alle onderliggende berekeningen moeten het resultaat beoordelen van een thermische run-away van de batterij binnen de grote verpakking onder normale vervoersomstandigheden;
e) In het geval dat de SOC van de batterij niet bekend is, moet bij de beoordeling de hoogst mogelijke SOC die overeenkomt met de batterij tijdens gebruikscondities worden gebruikt;
f) De omgevingscondities waarin de grote verpakking gebruikt en vervoerd mag worden, moeten worden beschreven (inclusief mogelijke consequenties van gas- of rookemissies op de omgeving, zoals ventilatie of andere methoden) volgens het gasbeheerssysteem van de grote verpakking;
g) De proeven of de modelberekening moet(en) uitgaan van het ergste scenario (‘worst case’) voor de initiatie van de thermische run-away en propagatie die optreedt binnen de batterij; dit scenario is inclusief het ergste falen onder normale vervoersomstandigheden, de maximale warmte- en vlamemissies voor de mogelijke propagatie van de reactie;
h) Deze scenario’s moeten beoordeeld worden over een tijdsperiode die lang genoeg is om alle mogelijke consequenties in kaart te kunnen brengen (bijv. 24 uur).
(i) in het geval van meerdere batterijen en meerdere apparaten die batterijen bevatten moeten aanvullende maatregelen worden overwogen zoals het maximale aantal batterijen en apparaten die batterijen bevatten, de maximale energieinhoud van het totaal aantal batterijen en de samenstelling binnenin de verpakking, inclusief het scheiden en beschermen van de onderdelen. 4.1.4.4 (Geschrapt) 4.1.5 Bijzondere verpakkingsvoorschriften voor goederen van klasse 1 4.1.5.1 Aan de algemene voorschriften van sectie 4.1.1 moet zijn voldaan. 4.1.5.2 Alle verpakkingen voor de goederen van klasse 1 moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd, dat:
a) de ontplofbare stoffen en voorwerpen worden beschermd en niet kunnen vrijkomen, en dat zij onder normale vervoersomstandigheden, met inbegrip van te verwachten veranderingen van temperatuur, vochtigheid of druk, geen verhoging van het risico van onbedoelde ontsteking of inleiding veroorzaken;
b) het volledige collo onder normale vervoersomstandigheden veilig kan worden behandeld; en
c) de colli alle belastingen, waaraan zij tijdens het vervoer zouden kunnen worden onderworpen als gevolg van te verwachten stapeling, doorstaan, zonder dat de risico's samenhangend met de ontplofbare stoffen en voorwerpen worden vergroot, zonder dat het vermogen van de verpakking om de goederen te bevatten wordt verlaagd of zonder dat de colli zodanig worden vervormd dat hun stevigheid wordt verminderd of dat een stapel colli instabiel wordt. 4.1.5.3 Alle ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten in de verzendklare toestand overeenkomstig de in 2.2.1 beschreven methoden zijn ingedeeld. 4.1.5.4 Goederen van klasse 1 moeten zijn verpakt volgens de verpakkingsinstructie die van toepassing is, aangegeven in kolom (8) van tabel A in hoofdstuk 3.2 en beschreven in 4.1.4. 4.1.5.5 Tenzij anders aangegeven in het ADR moeten verpakkingen, met inbegrip van IBC’s en grote verpakkingen, in overeenstemming zijn met de voorschriften van de desbetreffende hoofdstukken 6.1, 6.5 of 6.6 en moeten zij voldoen aan de beproevingsvoorschriften voor verpakkingsgroep II. 4.1.5.6 De sluitingsinrichting van de verpakkingen die vloeibare ontplofbare stoffen bevatten, moet een dubbele beveiliging tegen lekkage bieden. 4.1.5.7 De sluitingsinrichting van de metalen vaten moet voorzien zijn van een geschikte pakking; indien de sluitingsinrichting voorzien is van schroefdraad, moet het binnendringen van ontplofbare stoffen in deze schroefdraad worden verhinderd. 4.1.5.8 Ontplofbare stoffen die in water oplosbaar zijn, moeten verpakt zijn in waterbestendige verpakkingen. De verpakkingen voor gedesensibiliseerde of geflegmatiseerde stoffen moeten zodanig zijn gesloten, dat veranderingen van de concentratie tijdens het vervoer worden voorkomen. 4.1.5.9 Indien de verpakking een dubbele omhulling bevat, gevuld met water dat tijdens het vervoer kan bevriezen, moet aan het water een voldoende hoeveelheid antivriesmiddel worden toegevoegd om het bevriezen ervan te voorkomen. Antivries dat door haar eigen brandbaarheid een brandgevaar kan opleveren, mag niet worden gebruikt. 4.1.5.10 Spijkers, krammen en andere sluitingsinrichtingen van metaal, dat niet is voorzien van een beschermende laag, mogen niet doordringen tot de binnenkant van de buitenverpakking, tenzij de binnenverpakking de ontplofbare stoffen en voorwerpen op doelmatige wijze tegen contact met het metaal beschermt. 4.1.5.11 De binnenverpakkingen, afstandhouders en opvulmiddelen alsmede de plaatsing van ontplofbare stoffen of voorwerpen in de colli moeten zodanig zijn dat de ontplofbare stof zich onder normale vervoersomstandigheden niet in de buitenverpakking kan verspreiden. De metalen delen van de voorwerpen mogen niet in contact komen met metalen verpakkingen. Voorwerpen, die ontplofbare stoffen bevatten, die niet in een uitwendige omhulling zijn ingesloten, moeten zodanig van elkaar zijn gescheiden, dat wrijving en schokken worden voorkomen. Voor dat doel mogen opvulmiddelen, trays, scheidingsschotten in de binnen- of buitenverpakking, geperste voorgevormde delen of houders worden gebruikt. 4.1.5.12 De verpakkingen moeten zijn vervaardigd van materialen, die verenigbaar zijn met en ondoorlatend zijn voor de in de colli aanwezige ontplofbare stoffen of voorwerpen, zodat noch de wisselwerking tussen de ontplofbare stoffen of voorwerpen en de materialen van de verpakking, noch het vrijkomen buiten de verpakking van de ontplofbare stoffen en voorwerpen leidt tot het in gevaar brengen van de veiligheid van het vervoer of een wijziging van de subklasse of de compatibiliteitsgroep. 4.1.5.13 Het binnendringen van ontplofbare stoffen in de tussenruimten van de verbindingen van gefelste metalen verpakkingen moet worden verhinderd. 4.1.5.14 Bij kunststof verpakkingen mag geen gevaar bestaan van opwekking of opeenhoping van zulke hoeveelheden elektrostatische lading, dat een ontlading zou kunnen leiden tot ontbranding, ontsteking of tot inleiding van de verpakte ontplofbare stoffen of voorwerpen. 4.1.5.15 Grote en robuuste ontplofbare voorwerpen, die gewoonlijk voor militair gebruik zijn bedoeld, en die geen inleimiddelen bevatten of waarvan de inleimiddelen zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen, mogen zonder verpakking worden vervoerd. Indien deze voorwerpen voortdrijvende ladingen bevatten of indien het zichzelf voortdrijvende voorwerpen betreft, moeten de ontstekingssystemen zijn beschermd tegen de belastingen die onder normale vervoersomstandigheden kunnen optreden. Een negatief resultaat in de testserie 4, uitgevoerd met een niet verpakt voorwerp, maakt het mogelijk het vervoer van het voorwerp zonder verpakking te overwegen. Dergelijke onverpakte voorwerpen mogen op zodanige wijze op sleden zijn bevestigd of in kratten of andere geëigende inrichtingen voor hantering, opslag of lancering worden geplaatst, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen gaan loszitten.
Indien dergelijke grote ontplofbare voorwerpen worden onderworpen aan beproevingsseries, die in het kader van de beproeving van de veiligheid van het functioneren en de geschiktheid overeenkomen met de bedoelingen van het ADR, en indien deze voorwerpen deze beproevingen met succes hebben doorstaan, dan kan de bevoegde autoriteit akkoord gaan met het vervoer van deze voorwerpen overeenkomstig het ADR. 4.1.5.16 Ontplofbare stoffen mogen niet zijn verpakt in binnen- of buitenverpakkingen, waarin het verschil tussen de inwendige en uitwendige druk als gevolg van thermische of andere effecten kan leiden tot een explosie of een breuk van het collo. 4.1.5.17 Indien de vrije ontplofbare stof of de ontplofbare stof van een onverpakt of gedeeltelijk verpakt voorwerp in contact kan komen met het binnenoppervlak van metalen verpakkingen (1A1, 1A2, 1B1, 1B2, 1N1, 1N2, 4A, 4B, 4N en metalen houders), moet de metalen verpakking voorzien zijn van een binnenzak of een binnenbekleding (zie 4.1.1.2). 4.1.5.1.18 Ongeacht of de verpakking aan de verpakkingsinstructie in kolom (8) van tabel A in hoofdstuk 3.2 voldoet, mag voor alle ontplofbare stoffen en voorwerpen verpakkingsinstructie P101 worden gebruikt, onder voorwaarde dat de verpakking door een bevoegde autoriteit is goedgekeurd. 4.1.6 Bijzondere verpakkingsvoorschriften voor stoffen van klasse 2 en stoffen van andere klassen, waaraan verpakkingsinstructie P200 is toegekend 4.1.6.1 Deze sectie bevat algemene voorschriften die van toepassing zijn op het gebruik van drukhouders en open cryo-houders voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en goederen van andere klassen waaraan verpakkingsinstructie P200 is toegekend (bijv. UN 1051 cyaanwaterstof, gestabiliseerd).
Drukhouders moeten op zodanige wijze zijn vervaardigd en gesloten, dat onder normale vervoersomstandigheden - in het bijzonder ten gevolge van trillingen of van verandering van temperatuur, vochtigheid of druk (bijvoorbeeld als gevolg van verandering van hoogte) - elk verlies van de inhoud uit het collo is uitgesloten. 4.1.6.2 Delen van drukhouders en open cryo-houders die rechtstreeks met gevaarlijke goederen in aanraking komen, mogen door die gevaarlijke goederen niet worden aangetast of verzwakt en mogen geen gevaarlijk effect (bijv. het katalyseren van een reactie of het reageren met de gevaarlijke goederen) veroorzaken (zie ook de tabel met normen aan het eind van deze sectie). 4.1.6.3 Drukhouders, met inbegrip van hun sluitingen, en open cryo-houders moeten worden gekozen om een gas of een gasmengsel te kunnen bevatten volgens de voorschriften van 6.2.1.2 en de voorschriften van de desbetreffende verpakkingsinstructies van 4.1.4.1. Deze subsectie is ook van toepassing op drukhouders als elementen van MEGC's en batterijwagens. 4.1.6.4 Een wisseling van gebruik van een hervulbare drukhouder moet legen, reinigen en ontgassen omvatten voor zover dat noodzakelijk is voor een veilig functioneren (zie ook de tabel van normen aan het eind van deze sectie). Bovendien mag een drukhouder die te voren een bijtende stof van klasse 8 of een stof van een andere klasse met een bijkomend gevaar bijtend bevatte, niet worden toegelaten voor het vervoer van een stof van klasse 2, tenzij de noodzakelijke inspectie en beproeving zoals gespecificeerd in 6.2.1.6, resp. 6.2.3.5, zijn uitgevoerd. 4.1.6.5 Vóór het vullen moet de verpakker een inspectie van de drukhouder of open cryo-houder uitvoeren en waarborgen dat de drukhouder of open cryo-houder voor de te vervoeren stof en, in geval van een chemische stof onder druk, voor de te vervoeren voortdrijvende stof is toegelaten en dat aan de voorschriften is voldaan. Afsluitventielen moeten na het vullen worden gesloten en tijdens het vervoer gesloten blijven. De afzender moet de sluitingen en uitrusting op afwezigheid van lekkage controleren.
Opmerking: Afsluiters die op afzonderlijke flessen van flessenbatterijen aangebracht zijn, mogen tijdens het vervoer open staan, tenzij de vervoerde stof is onderworpen aan bijzondere verpakkingsbepaling ‘k’ of ‘q’ in verpakkingsinstructie P200. 4.1.6.6 Drukhouders en open cryo-houders moeten worden gevuld overeenkomstig de bedrijfsdrukken, vullingsgraden en voorschriften, gespecificeerd in de van toepassing zijnde verpakkingsinstructie voor de specifieke stof waarmee gevuld wordt en daarbij tevens rekening houdend met de laagste beproevingsdruk van elk onderdeel. Bedrijfsuitrusting met een drukclassificatie lager dan andere onderdelen zal niettemin voldoen aan 6.2.1.3.1. Reactieve gassen en gasmengsels moeten worden gevuld tot een zodanige druk dat, indien volledige ontleding van het gas optreedt, de bedrijfsdruk van de drukhouder niet wordt overschreden. 4.1.6.7 Drukhouders moeten met inbegrip van hun sluitingen voldoen aan de ontwerp-, constructie-, onderzoeks- en beproevingsvoorschriften, die in hoofdstuk 6.2 gedetailleerd beschreven worden.
Indien buitenverpakkingen worden voorgeschreven, moeten de drukhouders en open cryo-houders daarin stevig worden vastgezet.
Tenzij anders gespecificeerd in de gedetailleerde verpakkingsinstructies, mag één buitenverpakking één of meer binnenverpakkingen bevatten. 4.1.6.8 Afsluiters en andere onderdelen die tijdens het vervoer verbonden moeten blijven met de afsluiter (bijv. voorzieningen voor de behandeling of aansluitstukken) moeten op een zodanige wijze zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij beschadiging intrinsiek kunnen doorstaan zonder dat iets van de inhoud vrijkomt, of moeten worden beschermd tegen beschadiging die onbedoeld vrijkomen van de inhoud van de drukhouder tot gevolg zou kunnen hebben, door middel van één van de volgende methoden (zie ook tabel met normen aan het eind van deze sectie):
a) De afsluiters zijn aangebracht aan de binnenzijde van de hals van de drukhouder en zijn beschermd door een opgeschroefde dop of beschermkap;
b) De afsluiters zijn beschermd door kappen of andere beschermingsinrichtingen. De beschermkappen moeten openingen bezitten met een doorsnede van voldoende grootte om het gas te laten ontsnappen, indien de afsluiters lekken;
c) De afsluiters zijn beschermd door een kap of permanente beschermingsvoorzieningen;
d) Drukhouders worden vervoerd in raamwerken, (bijv. flessen in flessenbatterijen); of
e) Drukhouders worden vervoerd in beschermende kisten. Bij UN-drukhouders moet het collo, gereedgemaakt voor het vervoer, in staat zijn te voldoen aan de valproef vastgelegd in 6.1.5.3 voor het prestatieniveau van verpakkingsgroep I. 4.1.6.9 Niet-hervulbare drukhouders:
a) moeten worden vervoerd in een buitenverpakking, zoals een kist of krat, of in met krimp- of rekfolie omwikkelde trays;
b) moeten een waterinhoud hebben die minder is dan of gelijk is aan 1,25 liter, indien gevuld met brandbaar of giftig gas;
c) mogen niet worden gebruikt voor giftige gassen met een LC50-waarde kleiner dan of gelijk aan 200 ml/m3; en
Drukhouders mogen niet worden gevuld nadat de termijn voor het periodiek onderzoek verstreken is, maar mogen na deze termijn wel worden vervoerd met de bedoeling een onderzoek uit te voeren of ter verwijdering, met inbegrip van de tussenliggende vervoersactiviteiten. 4.1.6.11 Reparaties moeten stroken met de fabricage- en beproevingsvoorschriften van de van toepassing zijnde ontwerp- en constructienormen en zijn alleen toegestaan zoals aangegeven in de desbetreffende normen voor periodiek onderzoek, gespecificeerd in hoofdstuk 6.2. Drukhouders mogen, met uitzondering van de mantel van gesloten cryo-houders, geen reparaties ondergaan van een van de volgende gebreken:
c) lekkages of materiaalgebreken in de wand, het bovendeel of de bodem. 4.1.6.12 Houders mogen niet ter vulling worden aangeboden:
a) indien zij dermate beschadigd zijn dat de goede staat van de houder of zijn bedrijfsuitrusting kan zijn aangetast;
b) tenzij de houder en zijn bedrijfsuitrusting zijn onderzocht en geheel bedrijfsklaar zijn bevonden; en
c) tenzij de vereiste kenmerken voor de certificering, periodieke beproeving en vulling leesbaar zijn. 4.1.6.13 Gevulde houders mogen niet ten vervoer worden aangeboden:
b) indien zij dermate beschadigd zijn dat de goede staat van de houder of zijn bedrijfsuitrusting kan zijn aangetast;
c) tenzij de houder en zijn bedrijfsuitrusting zijn onderzocht en geheel bedrijfsklaar zijn bevonden; en
d) tenzij de vereiste kenmerken voor de certificering, periodieke beproeving en vulling leesbaar zijn. 4.1.6.14 Eigenaren moeten, op grond van een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit, haar voorzien van alle informatie nodig om de conformiteit van de drukhouder aan te tonen in een taal die door de bevoegde autoriteit gemakkelijk te begrijpen is. Zij moeten met die autoriteit op diens verzoek samenwerken bij alle genomen maatregelen om niet-conformiteit van de drukhouders die zij bezitten te elimineren. 4.1.6.15 Voor UN-drukhouders moeten de ISO-normen en EN ISO-normen vermeld in tabel 4.1.6.15.1, met uitzondering van EN ISO 14245 en ISO 15995, worden toegepast. Voor informatie over welke norm moet worden toegepast bij de fabricage van bedrijfsuitrusting, zie 6.2.2.3.
Voor andere drukhouders geldt dat aan de voorschriften van sectie 4.1.6 is voldaan als de relevante norm zoals vermeld in tabel 4.1.6.15.1 is toegepast. Voor informatie over welke norm moet worden toegepast bij de fabricage van afsluitventielen met intrinsieke beveiliging, zie 6.2.4.1. Voor informatie over de toepassing van normen bij de fabricage van beschermkappen voor afsluiters, zie tabel 4.1.6.15.2:
(c) ISO 16111:2018 geabsorbeerd in omkeerbare metaalhydride Tabel 4.1.6.15.2: Toepassingsbereik voor de vervaardiging van beschermkappen en afschermingen voor afsluiters gemonteerd op niet-UN-drukhouders Van toepassing Verwijzing Titel van het document voor vervaardiging ISO 11117:1998 Gasflessen - Beschermingskappen en afschermingen voor Tot 31 afsluiters voor industriële en medische gasflessen - Ontwerp, december 2014 constructie en beproevingen EN ISO 11117: 2008 Gasflessen - Beschermkappen en afschermingen - Ontwerp, Tot 31 + Cor 1:2009 constructie en testen december 2024 EN ISO 11117:2019 Gasflessen - Beschermkappen en afschermingen - Ontwerp, Tot nader order constructie en testen EN 962:1996 Verplaatsbare gasflessen - Beschermkappen voor afsluiters van Tot 31 +A2:2000 gasflessen voor industriële en medische toepassing - Ontwerp, december 2014 constructie en beproeving 4.1.7 Bijzondere verpakkingsvoorschriften voor organische peroxiden van klasse 5.2 en zelfontledende stoffen van klasse 4.1 4.1.7.0.1 Voor organische peroxiden moeten alle houders "doeltreffend gesloten" zijn. In die gevallen waar zich in een collo door gasontwikkeling aanzienlijke inwendige druk kan ontwikkelen, mag een ontluchtingsinrichting worden aangebracht, onder voorwaarde dat het uitgestoten gas geen gevaar oplevert, anders moet de vullingsgraad worden beperkt. Elke ontluchtingsinrichting moet zo worden geconstrueerd dat vloeistof niet kan ontsnappen wanneer het collo rechtop staat en hij moet in staat zijn om binnendringen van verontreinigingen te verhinderen. De buitenverpakking, voor zover aanwezig, moet zo worden ontworpen dat zij het functioneren van de ontluchtingsinrichting niet hindert. 4.1.7.1 Gebruik van verpakkingen (met uitzondering van IBC’s) 4.1.7.1.1 Verpakkingen voor organische peroxiden en zelfontledende stoffen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van hoofdstuk 6.1 en moeten voldoen aan de beproevingsvoorschriften voor verpakkingsgroep II. 4.1.7.1.2 De verpakkingsmethoden voor organische peroxiden en zelfontledende stoffen zijn vermeld in verpakkingsinstructie P520 en worden aangeduid met OP1 t/m OP8. De hoeveelheden die voor elke verpakkingsmethode staan gespecificeerd, zijn de maximaal toegestane hoeveelheden per collo. 4.1.7.1.3 De verpakkingsmethoden die geschikt zijn voor de afzonderlijke, reeds ingedeelde organische peroxiden en zelfontledende stoffen, zijn opgenomen in 2.2.41.4 en 2.2.52.4. 4.1.7.1.4 Voor nieuwe organische peroxiden, nieuwe zelfontledende stoffen of nieuwe formuleringen van reeds ingedeelde organische peroxiden of zelfontledende stoffen moet de volgende procedure worden gebruikt om de bijbehorende verpakkingsmethode toe te wijzen:
Verpakkingsmethode OP5 moet worden toegepast, onder voorwaarde dat het organisch peroxide (of de zelfontledende stof) voldoet aan de criteria van 20.4.3 b) [resp. 20.4.2 b)] van het Handboek Beproevingen en criteria in één van de in de verpakkingsmethode aangegeven verpakkingen. Indien het organisch peroxide (of de zelfontledende stof) alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP5 (d.w.z. in een van de verpakkingen vermeld onder OP1 t/m OP4), dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer worden toegepast.
Verpakkingsmethode OP6 moet worden toegepast, onder voorwaarde dat het organisch peroxide (of de zelfontledende stof) voldoet aan de criteria van 20.4.3 c) [resp. 20.4.2 c)] van het Handboek beproevingen en criteria in één van de in de verpakkingsmethode aangegeven verpakkingen. Indien het organisch peroxide (of de zelfontledende stof) alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP6, dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer worden toegepast.
Voor dit type organisch peroxide of zelfontledende stof moet verpakkingsmethode OP7 worden toegepast;
Voor dit type organisch peroxide of zelfontledende stof moet verpakkingsmethode OP8 worden toegepast;
Voor dit type organisch peroxide of zelfontledende stof moet verpakkingsmethode OP8 worden toegepast. 4.1.7.2 Gebruik van IBC's 4.1.7.2.1 De reeds ingedeelde organische peroxiden die met name in verpakkingsinstructie IBC520 zijn genoemd, mogen overeenkomstig deze verpakkingsinstructie in IBC's worden vervoerd. IBC’s moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van hoofdstuk 6.5 en moeten voldoen aan de beproevingsvoorschriften voor verpakkingsgroep II. 4.1.7.2.2 Andere organische peroxiden en zelfontledende stoffen van type F mogen in IBC's vervoerd worden onder de voorwaarden vastgesteld door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst, indien deze autoriteit op grond van beproevingsresultaten van oordeel is dat een dergelijk vervoer veilig kan plaatsvinden.
a) aantonen dat het organisch peroxide (of de zelfontledende stof) voldoet aan de principes voor de classificatie aangegeven in 20.4.3 f) [(resp. 20.4.2 f)] van het Handboek beproevingen en criteria, uitgang van box F in afbeelding 20.1 b) van het Handboek;
b) aantonen van compatibiliteit van alle materialen die normalerwijze tijdens vervoer met de stof in contact komen;
c) de voor het vervoer van de stof in de betreffende IBC geldende, van de SADT afgeleide controleen kritieke temperaturen, indien van toepassing, vaststellen;
d) mogelijk maken, indien van toepassing, drukontlastingsinrichtingen (voor noodgevallen) te ontwerpen; en
e) bepalen of voor het veilige vervoer van de stof bijzondere voorschriften noodzakelijk zijn.
Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij is bij het ADR, moeten de classificatie en de vervoersvoorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die bij de zending betrokken is. 4.1.7.2.3 Noodgevallen waarmee rekening gehouden moet worden, zijn zichzelf versnellende ontleding en aanwezigheid in een brandhaard. Teneinde explosief bezwijken van metalen of combinatie-IBC's met een volwandige metalen omhulling te voorkomen, moeten de drukontlastingsinrichtingen voor noodgevallen zo zijn ontworpen, dat alle ontledingsproducten en dampen afgeblazen worden, die vrijkomen als gevolg van zichzelf versnellende ontleding of gedurende een periode van niet minder dan 1 uur aanwezigheid in een brandhaard, berekend met behulp van de in 4.2.1.13.8 gegeven vergelijkingen. 4.1.8 Bijzondere verpakkingsvoorschriften voor infectieuze stoffen (klasse 6.2) 4.1.8.1 Afzenders van infectieuze stoffen moeten waarborgen dat colli op zodanige wijze worden voorbereid dat ze in goede staat op hun bestemming aankomen en tijdens het vervoer geen gevaar opleveren voor personen of dieren. 4.1.8.2 De definities in 1.2.1 en de algemene voorschriften van 4.1.1.1 t/m 4.1.1.17, uitgezonderd 4.1.1.10 t/m 4.1.1.12 en 4.1.1.15, zijn van toepassing op colli met infectieuze stoffen. Vloeistoffen moeten alleen in verpakkingen worden gevuld, die in voldoende mate bestand zijn tegen de inwendige druk die zich onder normale vervoersomstandigheden kan ontwikkelen. 4.1.8.3 Een gespecificeerde inhoudsopgave moet tussen de secundaire verpakking en de buitenverpakking worden bijgesloten. Indien de te vervoeren infectieuze stoffen onbekend zijn, maar vermoed wordt dat ze voldoen aan de criteria voor opname in categorie A, moeten op het document binnenin de buitenverpakking de woorden "vermoedelijk infectieuze stof van categorie A" tussen haakjes worden aangegeven na de juiste vervoersnaam. 4.1.8.4 Voordat een lege verpakking naar de afzender wordt teruggezonden, of naar elders wordt gezonden, moet zij worden gedesinfecteerd of gesteriliseerd om alle gevaren op te heffen en elk etiket of elk kenmerk dat aangeeft dat de verpakking een infectieuze stof had bevat, moet worden verwijderd of uitgewist. 4.1.8.5 Indien een gelijkwaardig prestatieniveau is gewaarborgd, zijn de volgende wijzigingen van de primaire houders die in een secundaire verpakking zijn geplaatst, toegestaan, zonder dat het gehele collo aan verdere beproevingen dient te worden onderworpen:
a) Primaire houders met afmetingen gelijk aan of kleiner dan die van de beproefde primaire houders mogen worden gebruikt, onder voorwaarde dat:
i)het ontwerp van de primaire houders overeenkomt met dat van de beproefde primaire houders (bijv. de vorm, rond, rechthoekig, enz.);
ii)het materiaal voor de constructie van de primaire houders (bijv. glas, kunststof, metaal) een weerstand biedt tegen de belastingen van stoot of stapeling, die gelijk is aan of hoger dan die van de oorspronkelijk beproefde primaire houders;
iii)de primaire houders gelijke of kleinere openingen bezitten, en het ontwerp van de sluiting overeenkomstig is (bijv. schroefdop, drukdeksel, enz.);
iv)er voldoende extra opvulmateriaal wordt gebruikt om lege ruimten op te vullen en om aanzienlijke beweging van de primaire houders te voorkomen; en
v)de primaire houders in de secundaire verpakking op dezelfde wijze als in de beproefde verpakking zijn georiënteerd.
b) Er kan een kleiner aantal van de beproefde primaire houders, of van de alternatieve, bovenstaand onder a) vermelde typen primaire houders worden gebruikt, onder voorwaarde dat voldoende opvulmateriaal wordt toegevoegd om de lege ruimte(n) op te vullen en te verhinderen dat de primaire houders in belangrijke mate bewegen. 4.1.8.6 De subsecties 4.1.8.1 t/m 4.1.8.5 zijn alleen van toepassing op infectieuze stoffen van categorie A (UN-nummers 2814 en 2900). Zij zijn niet van toepassing op UN 3373 BIOLOGISCHE STOF, CATEGORIE B (zie 4.1.4.1, verpakkingsinstructie P650), en niet op UN 3291 ZIEKENHUISAFVAL, ONGESPECIFICEERD, N.E.G. of (BIO)MEDISCH AFVAL, N.E.G. of GEREGLEMENTEERD MEDISCH AFVAL, N.E.G. 4.1.8.7 Voor het vervoer van dierlijke stoffen mogen verpakkingen of IBC's die niet uitdrukkelijk in de verpakkingsinstructie die van toepassing is zijn toegestaan, niet worden gebruikt voor het vervoer van een stof of voorwerp, tenzij dit uitdrukkelijk is toegelaten door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst2 en onder voorwaarde dat:
a) de alternatieve verpakking voldoet aan de algemene voorschriften van dit Deel;
b) indien de verpakkingsinstructie aangegeven in kolom (8) van tabel A van hoofdstuk 3.2 dit vermeldt, de alternatieve verpakking voldoet aan de voorschriften van Deel 6;
c) de bevoegde autoriteit van het land van herkomst 2 vaststelt dat de alternatieve verpakking tenminste hetzelfde veiligheidsniveau verschaft als in het geval dat de stof zou zijn verpakt overeenkomstig een methode aangegeven in de speciale verpakkingsinstructie vermeld in kolom (8) van tabel A van hoofdstuk 3.2; en
Colli die splijtbare stoffen of uraniumhexafluoride bevatten, zijn onderworpen aan aanvullende voorschriften. 4.1.9.1.2 De afwrijfbare besmetting op de buitenoppervlakken van elk collo moet op een zo laag mogelijk niveau worden gehouden en mag onder routinematige vervoersomstandigheden de hierna volgende grenswaarden niet overschrijden:
a) 4 Bq/cm2 voor bèta- en gammastralers en alfastralers van geringe toxiciteit; en
Deze grenswaarden zijn van toepassing bij middeling over een willekeurig gebied van 300 cm2 van een willekeurig deel van het oppervlak. 4.1.9.1.3 Een collo mag geen andere artikelen bevatten dan die welke noodzakelijk zijn voor het gebruik van de radioactieve stoffen. De wisselwerking tussen deze artikelen en het collo, onder de vervoersvoorwaarden van toepassing op het ontwerp, mag de veiligheid van het collo niet verlagen. 4.1.9.1.4 Uitgezonderd het in 7.5.11, CV33 bepaalde, mag het niveau van afwrijfbare besmetting op de uitwendige en inwendige oppervlakken van oververpakkingen, containers en voertuigen niet meer bedragen dan de in 4.1.9.1.2 gespecificeerde grenswaarden. Dit voorschrift is niet van toepassing op de binnenzijde van containers die worden gebruikt als verpakking, beladen of leeg. 4.1.9.1.5 Bij radioactieve stoffen met andere gevaarseigenschappen moet bij het ontwerp van de verpakking rekening worden gehouden met deze eigenschappen. Radioactieve stoffen met een bijkomend gevaar, verpakt in colli, waarvoor goedkeuring door de bevoegde autoriteit niet is vereist, moeten worden vervoerd in verpakkingen, IBC’s, tanks of bulkcontainers die volledig voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende hoofdstukken van Deel 6 al naar gelang, alsmede aan de voorschriften van de hoofdstukken 4.1, 4.2 of 4.3 die van toepassing zijn voor dat bijkomende gevaar. 4.1.9.1.6 Voordat een verpakking voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van radioactieve stoffen moet worden bevestigd dat zij conform de ontwerpspecificaties is vervaardigd, teneinde naleving van de desbetreffende bepalingen van het ADR en eventueel van toepassing zijnde certificaten van goedkeuring te kunnen waarborgen. Daarnaast moet worden voldaan aan de volgende voorschriften, indien van toepassing:
a) Indien de berekeningsdruk in de borghouder hoger is dan 35 kPa (0,35 bar) (overdruk), moet zijn vastgesteld dat de borghouder van de verpakking voldoet aan de goedgekeurde ontwerpvoorschriften betreffende het vermogen van de borghouder om de ongeschonden staat onder die druk te handhaven.
b) Bij elke verpakking die bestemd is om te worden gebruikt als collo van type B(U), type B(M) of type C en bij elke verpakking die is bedoeld om splijtbare stoffen te bevatten, moet zijn vastgesteld dat de doelmatigheid van de afscherming en van de borghouder en, zo nodig, van de warmteoverdrachtskenmerken, binnen de grenswaarden liggen, die op het goedgekeurde model van toepassing zijn of daarvoor zijn vastgesteld.
c) Bij elke verpakking die is bedoeld om splijtbare stoffen te bevatten moet worden gewaarborgd dat de effectiviteit van de criticaliteits-veiligheidskenmerken zich binnen de grenswaarden bevindt die van toepassing zijn op of gespecificeerd zijn voor het ontwerp, en met name waar uitdrukkelijk neutronenvergiften als bestanddeel zijn ingesloten om aan de bepalingen van 6.4.11.1 te voldoen, moeten beproevingen zijn uitgevoerd om de aanwezigheid en de verdeling van deze neutronenvergiften te bevestigen. 4.1.9.1.7 Voorafgaand aan de verzending van een collo moet worden gewaarborgd dat het collo:
a) geen andere radionucliden bevat dat die welke zijn gespecificeerd voor het desbetreffende model van colli; en evenmin
b) inhoud bevat waarvan de vorm of de fysieke of chemische toestand afwijkt van die welke zijn gespecificeerd voor het desbetreffende model van colli. 4.1.9.1.8 Voorafgaand aan elke verzending van een collo moet worden gecontroleerd of is voldaan aan alle relevante voorschriften zoals gespecificeerd in de desbetreffende bepalingen van het ADR en in de van toepassing zijnde certificaten van goedkeuring. Daarnaast moet zijn voldaan aan de volgende voorschriften, indien van toepassing:
a) Er moet zijn gecontroleerd of de hijsinrichtingen die niet aan de bepalingen van 6.4.2.2 voldoen, zijn verwijderd, of op andere wijze voor het hijsen van het collo onbruikbaar zijn gemaakt, overeenkomstig 6.4.2.3.
b) Colli van type B(U), type B(M) en type C moeten zijn bewaard totdat de evenwichtstoestand voldoende is benaderd, om aan te tonen dat deze overeenkomt met de voor de verzending geldende voorwaarden van temperatuur en druk, tenzij ontheffing van deze bepalingen is verleend door een unilaterale toestemming.
c) Bij elk collo van type B(U), type B(M) en type C moet door onderzoek en/of geschikte beproevingen zijn vastgesteld dat alle sluitingen, afsluiters of andere openingen van de borghouder waardoor de radioactieve inhoud zou kunnen ontsnappen, naar behoren zijn gesloten en eventueel verzegeld op dezelfde wijze als voor het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van 6.4.8.8 en 6.4.10.3.
d) Voor colli die splijtbare stoffen bevatten, moeten de meting, gespecificeerd in 6.4.11.5 (b), en de beproevingen voor het aantonen van de afsluiting van elk collo, zoals gespecificeerd in 6.4.11.8, zijn uitgevoerd.
e) Voor colli die bedoeld zijn voor transport na opslag moet worden verzekerd dat alle onderdelen van de verpakking en de radioactieve inhoud tijdens de opslag zijn onderhouden op zodanige wijze dat aan alle hiervoor relevante voorschriften van het ADR is voldaan, evenals aan de van toepassing zijnde certificaten. 4.1.9.1.9 De afzender moet ook een kopie hebben van alle instructies met betrekking tot het op deugdelijke wijze sluiten van het collo en alle voorbereidingen voor de verzending voordat er een verzending volgens de voorwaarden van de certificaten plaatsvindt. 4.1.9.1.10 Behalve voor zendingen onder exclusief gebruik, mag de transportindex van geen enkel collo of geen enkele oververpakking hoger zijn dan 10, terwijl de criticaliteits-veiligheidsindex van geen enkel collo of geen enkele oververpakking hoger mag zijn dan 50. 4.1.9.1.11 Met uitzondering van colli of oververpakkingen die onder exclusief gebruik worden vervoerd onder de voorwaarden aangegeven in 7.5.11, CV33 (3.5) a), mag het hoogste dosistempo op enig punt van de uitwendige oppervlakken van een collo of oververpakking niet hoger zijn dan 2 mSv/h. 4.1.9.1.12 Het hoogste dosistempo op enig punt van de uitwendige oppervlakken van een collo of oververpakking, vervoerd onder exclusief gebruik, mag niet hoger zijn dan 10 mSv/h. 4.1.9.2 Voorschriften en controlemaatregelen voor het vervoer van LSA-stoffen en SCO 4.1.9.2.1 De hoeveelheid LSA-stoffen of SCO in een enkelvoudig collo van type IP-1, collo van type IP-2 of collo van type IP-3, of in een voorwerp, of in een verzameling van voorwerpen, al naar gelang, moet zodanig zijn beperkt dat het uitwendige dosistempo op een afstand van 3 m van de niet afgeschermde stof of het niet afgeschermde voorwerp of verzameling van voorwerpen 10 mSv/ h niet overschrijdt. 4.1.9.2.2 Voor LSA-stoffen en SCO die bestaan uit niet onder 2.2.7.2.3.5 vrijgestelde splijtbare stoffen of deze bevatten, moet worden voldaan aan de toepasselijke voorschriften van 7.5.11, bijzondere bepaling CV33 (4.1) en (4.2). 4.1.9.2.3 Voor LSA-stoffen en SCO die bestaan uit splijtbare stoffen of deze bevatten, moet worden voldaan aan de toepasselijke voorschriften van 6.4.11.1. 4.1.9.2.4 LSA-stoffen en SCO van de groepen LSA-I en SCO-I en SCO-III mogen onverpakt worden vervoerd onder de volgende voorwaarden:
a) Alle niet verpakte stoffen, met uitzondering van ertsen, die slechts natuurlijke radionucliden bevatten, moeten zodanig worden vervoerd, dat er onder routinematige vervoersomstandigheden geen verlies van de inhoud uit het voertuig plaatsvindt en geen verlies van afscherming optreedt;
b) Ieder voertuig moet worden gebruikt onder exclusief gebruik, tenzij uitsluitend SCO-I wordt vervoerd, waarvan de besmetting op bereikbare en niet bereikbare oppervlakken niet hoger is dan tienmaal het toepasselijke niveau volgens de definitie van “besmetting” in 2.2.7.1.2;
c) Indien het vermoeden bestaat, dat bij SCO-I de afwrijfbare besmetting op niet bereikbare oppervlakken de waarden, aangegeven in 2.2.7.2.3.2 a) i), overschrijdt, moeten maatregelen worden getroffen om te verhinderen dat radioactieve stoffen in het voertuig kunnen vrijkomen;
(iii) Alle handelingen die samenhangen met de zending, inclusief bescherming tegen straling, noodmaatregelen en alle administratieve handelingen en special voorzieningen en ook alle operationele controlemaatregelen moeten zijn opgenomen in een vervoersplan. Uit dit plan moet blijken dat het veiligheidsniveau van het transport minimaal gelijk is aan het niveau dat gehaald zou worden als de vereisten van 6.4.7.14 (alleen voor de proef die is beschreven in 6.4.15.6, voorafgegaan door de proef uit 6.4.15.2 en 6.4.15.3) zouden zijn opgevolgd;
(v) Het voorwerp en alle mogelijke afschermingen zijn goed gezekerd in overeenstemming met 6.4.2.1;
(vi) De zending vindt plaats onder een multilaterale goedkeuring. 4.1.9.2.5 LSA-stoffen en SCO moeten, tenzij anders is bepaald in 4.1.9.2.4, worden verpakt volgens de tabel hieronder:
Opmerking 1: Zie ook 4.1.1.5 en 4.1.1.6.
Opmerking 2: Voor radioactieve stoffen, zie 4.1.9. 4.1.10.2 Indien houten of kartonnen dozen als buitenverpakkingen worden gebruikt, mag een collo dat verschillende gezamenlijk verpakte goederen bevat, met uitzondering van colli die uitsluitend goederen van klasse 1 of uitsluitend goederen van klasse 7 bevatten, niet meer wegen dan 100 kg. 4.1.10.3 Tenzij anders is voorgeschreven door een bijzondere bepaling die volgens 4.1.10.4 van toepassing is, mogen gevaarlijke goederen van dezelfde klasse en dezelfde classificatiecode gezamenlijk worden verpakt. 4.1.10.4 Voor zover voor een bepaalde positie in kolom (9b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 is aangegeven, zijn de volgende bijzondere voorschriften van toepassing op de gezamenlijke verpakking van de aan die positie toegewezen goederen met andere goederen in hetzelfde collo.
MP 1 Mag alleen gezamenlijk worden verpakt met goederen van hetzelfde type binnen dezelfde compatibiliteitsgroep.
MP 4 Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR. Indien dit organisch peroxide echter een harder is of een meercomponentensysteem voor stoffen van klasse 3, is gezamenlijke verpakking met deze stoffen van klasse 3 toegestaan.
Zij mogen niet gezamenlijk worden verpakt met andere goederen; dit is niet van toepassing op UN 3373 biologische stof, categorie B, verpakt overeenkomstig verpakkingsinstructie P650 of op stoffen die als koelmiddelen zijn toegevoegd, bijv. ijs, droogijs of sterk gekoelde, vloeibare stikstof.
MP 6 Mag niet gezamenlijk worden verpakt met andere goederen. Dit is niet van toepassing op stoffen die als koelmiddelen zijn toegevoegd, bijv. ijs, droogijs of sterk gekoelde, vloeibare stikstof.
MP 7 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 8 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 3 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 9 Mag gezamenlijk worden verpakt in een buitenverpakking voor samengestelde verpakkingen volgens 6.1.4.21:
• met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor goederen van deze klassen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 10 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 kg per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 11 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 kg per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen (uitgezonderd stoffen van verpakkingsgroep I of II van klasse 5.1), indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 12 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 kg per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen (uitgezonderd stoffen van verpakkingsgroep I of II van klasse 5.1), indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
Colli mogen niet meer wegen dan 45 kg. Indien echter kartonnen dozen als buitenverpakkingen worden gebruikt, mag een collo niet meer wegen dan 27 kg.
MP 13 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 3 kg per binnenverpakking en per collo, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 14 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 6 kg per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 15 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 3 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
• met goederen van andere klassen, uitgezonderd klasse 7, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
• met goederen van andere klassen, uitgezonderd klasse 7, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 19 Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:
• met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
• met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.
MP 20 Mag gezamenlijk worden verpakt met stoffen die onder hetzelfde UN-nummer vallen.
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van klasse 1 met verschillende UNnummers, tenzij dit is voorzien in bijzonder voorschrift MP24.
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
MP 21 Mag gezamenlijk worden verpakt met voorwerpen die onder hetzelfde UN-nummer vallen.
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van klasse 1 die onder verschillende UN-nummers vallen, uitgezonderd
i) die inleimiddelen onder normale vervoersomstandigheden niet in werking kunnen treden; of
ii) dergelijke middelen zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen die verhinderen dat de ontplofbare stof in het voorwerp ontstoken wordt in het geval dat het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onopzettelijk in werking treedt; of
iii) indien dergelijke middelen niet zijn voorzien van twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen (d.w.z. inleimiddelen die zijn ingedeeld in de compatibiliteitsgroep B), naar de mening van de bevoegde autoriteit van het land van herkomst 3 een onopzettelijke inwerkingtreding van het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onder normale vervoersomstandigheden niet de ontploffing van het voorwerp tot gevolg zal hebben;
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR. 3 Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij is bij het ADR, moet de toestemming worden bevestigd door de bevoegde autoriteit van de eerste Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR, die bij de zending betrokken is.
Indien goederen volgens deze bijzondere bepaling gezamenlijk worden verpakt, moet rekening worden gehouden met een mogelijke wijziging van de classificatie van colli volgens 2.2.1.1. Voor de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument, zie 5.4.1.2.1 b).
MP 22 Mag gezamenlijk worden verpakt met voorwerpen die onder hetzelfde UN-nummer vallen.
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van klasse 1 met verschillende UNnummers, behalve
a) met hun eigen inleimiddelen, onder voorwaarde dat de inleimiddelen niet in werking treden onder normale vervoersomstandigheden; of
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
Indien goederen volgens deze bijzondere bepaling gezamenlijk worden verpakt, moet rekening worden gehouden met een mogelijke wijziging van de classificatie van colli volgens 2.2.1.1. Voor de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument, zie 5.4.1.2.1 b).
MP 23 Mag gezamenlijk worden verpakt met voorwerpen die onder hetzelfde UN-nummer vallen.
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van klasse 1 met verschillende UNnummers, behalve
a) met hun eigen inleimiddelen, onder voorwaarde dat de inleimiddelen niet in werking treden onder normale vervoersomstandigheden; of
Mag niet gezamenlijk worden verpakt met goederen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.
Indien goederen volgens deze bijzondere bepaling gezamenlijk worden verpakt, moet rekening worden gehouden met een mogelijke wijziging van de classificatie van colli volgens 2.2.1.1. Voor de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument, zie 5.4.1.2.1 b MP 24 Mag gezamenlijk worden verpakt met goederen met de in de tabel hieronder aangegeven UN-nummers, onder de volgende voorwaarden:
• indien in de tabel een letter A wordt aangegeven, mogen de goederen met deze UNnummers zonder speciale massabeperking gezamenlijk in eenzelfde collo worden verpakt;
• indien in de tabel een letter B wordt aangegeven, mogen de goederen met deze UNnummers tot een totale massa van 50 kg aan explosieve stof gezamenlijk in eenzelfde collo worden verpakt.
Indien goederen volgens deze bijzondere bepaling gezamenlijk worden verpakt, moet rekening worden gehouden met een mogelijke wijziging van de classificatie van colli volgens 2.2.1.1. Voor de omschrijving van de goederen in het vervoersdocument, zie 5.4.1.2.1 b).
Opmerking 1: Voor vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en tankcontainers en wissellaadtanks, met metalen reservoirs, en batterijwagens en gascontainers met meerdere elementen (MEGC’s), zie hoofdstuk 4.3; voor tanks van vezelgewapende kunststof, zie hoofdstuk 4.4; voor druk/vacuümtanks (voor afvalstoffen), zie hoofdstuk 4.5.
Opmerking 2: Transporttanks en UN-MEGC’s, gemerkt volgens de voorschriften die van toepassing zijn van hoofdstuk 6.7, maar die goedgekeurd werden in een Staat die geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADR is of die overeenkomstig hoofdstuk 6.7 van de IMDG Code is erkend, mogen niettemin voor vervoer onder het ADR gebruikt worden. 4.2.1 Algemene voorschriften voor het gebruik van transporttanks voor het vervoer van stoffen van klassen 1 en 3 t/m 9 4.2.1.1 Deze sectie geeft algemene voorschriften voor het gebruik van transporttanks bij het vervoer van stoffen van klassen 1, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 7, 8 en 9. Behalve aan deze algemene voorschriften, moeten transporttanks ook voldoen aan de in 6.7.2 genoemde voorschriften betreffende het ontwerp, de constructie, inspectie en beproeving. Stoffen moeten worden vervoerd in transporttanks die voldoen aan de van toepassing zijnde transporttank-instructie, vermeld in kolom
(10) van tabel A in hoofdstuk 3.2 en beschreven in 4.2.5.2.6 (T1 tot en met T23), en aan de voor iedere stof in kolom (11) in tabel A in hoofdstuk 3.2 toegewezen en in 4.2.5.3 beschreven bijzondere bepalingen voor transporttanks. 4.2.1.2 Tijdens vervoer moeten transporttanks voldoende worden beschermd tegen beschadiging van de tank en de bedrijfsuitrusting door stoten in zijdelingse richting en in lengterichting en kantelen. Indien de tank en de bedrijfsuitrusting zo zijn geconstrueerd dat zij bestand zijn tegen stoten of kantelen, behoeven de transporttanks niet op deze wijze beschermd te zijn. Voorbeelden van een dergelijke bescherming zijn vermeld in 6.7.2.17.5. 4.2.1.3 Bepaalde stoffen zijn chemisch instabiel. Zij worden alleen ten vervoer aangenomen wanneer de noodzakelijke maatregelen zijn genomen om de gevaarlijke ontleding, transformatie of polymerisatie ervan tijdens vervoer te verhinderen. Hiertoe moet men er in het bijzonder voor zorgen dat tanks gegarandeerd geen stoffen bevatten die deze reacties bevorderen. 4.2.1.4 De temperatuur van het buitenoppervlak van de tank, met uitzondering van openingen en de sluitingen ervan, of van de thermische isolatie mag tijdens vervoer niet hoger zijn dan 70 ͦC. Voor zover noodzakelijk, moet de tank thermisch geïsoleerd zijn. 4.2.1.5 Lege transporttanks die niet zijn gereinigd en niet gasvrij zijn, moeten aan dezelfde voorschriften voldoen als transporttanks die met de voorgaande stof zijn gevuld. 4.2.1.6 Stoffen mogen niet in dezelfde of direct aan elkaar grenzende compartimenten van tanks worden vervoerd wanneer zij op gevaarlijke wijze met elkaar kunnen reageren (zie definitie van “gevaarlijke reactie” in 1.2.1). 4.2.1.7 Het goedkeuringscertificaat van het prototype, het beproevingsrapport en het certificaat met de resultaten van het eerste onderzoek en de eerste beproeving van elke transporttank, afgegeven door de bevoegde autoriteit of een door haar aangewezen instantie, moet door de autoriteit of instantie en de eigenaar worden bewaard. Eigenaars moeten deze documentatie op verzoek van een bevoegde autoriteit kunnen tonen. 4.2.1.8 Tenzij de benaming(en) van de stof(fen) die wordt (worden) vervoerd, vermeld staat (staan) op de in 6.7.2.20.2 beschreven metalen plaat, moet een kopie van het in 6.7.2.18.1 genoemde certificaat op verzoek van een bevoegde autoriteit of een door haar aangewezen instantie beschikbaar kunnen worden gesteld en zonder mankeren door de afzender, geadresseerde of vertegenwoordiger, al naar gelang van toepassing, verschaft kunnen worden.

ADR 2025: 4.1.4 (Nederlandse vertaling, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)

Waar wordt LP906 gebruikt?

Deze code is in de huidige 1136.nl ADR 2025-database gekoppeld aan 6 UN-posities.

ADR 2025

1136.nl gebruikt voor deze informatie de ADR 2025-dataset. De inhoudelijke uitleg wordt stap voor stap uitgebreid met de relevante bepalingen uit het ADR 2025.

← Terug naar 1136.nl

WhatsApp & ADR-vragen

Om ons via WhatsApp een vraag te stellen over ADR, heeft u een gratis account nodig. Zo kunnen we uw gegevens koppelen aan uw ADR-status en u gericht helpen.