ADR details voor UN1863
BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Op het vervoersdocument: UN 1863 BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Variant 1 van 4
| 33 |
| 1863 |
| UN-nummer | 1863 |
| Benaming en beschrijving | BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN |
| Engelse benaming | FUEL, AVIATION, TURBINE ENGINE |
| Duitse benaming | DÜSENKRAFTSTOFF |
| Franse benaming | CARBURÉACTEUR |
| Klasse | 3 |
| Classificatiecode | F1 |
| Verpakkingsgroep | I |
| Etiket(ten) | 3 |
| Bijzondere bepaling(en) | 664 |
Bijzondere bepaling 664Wanneer stoffen onder deze positie worden vervoerd in vaste tanks (tankwagens) of in afneembare tanks, mogen deze tanks zijn uitgerust met inrichtingen voor additieven. Inrichtingen voor additieven: a) maken deel uit van de bedrijfsuitrusting voor de toevoer van additieven van UN 1202, UN 1993, verpakkingsgroep III, UN 3082 of niet gevaarlijke stoffen tijdens het lossen van de tank; b) bestaan uit onderdelen als verbindingsleidingen en -slangen, afsluitinrichtingen, pompen en doseringsinrichtingen die permanent met de losinrichting van de bedrijfsuitrusting van de tank verbonden zijn; c) bevatten middelen van omsluiting die geïntegreerd zijn in het reservoir of permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen zijn bevestigd. Inrichtingen voor additieven kunnen ook zijn voorzien van koppelstukken voor het aansluiten van verpakkingen. In dat geval wordt de verpakking zelf niet als onderdeel van de inrichting voor additieven beschouwd. Afhankelijk van de configuratie zijn de volgende voorschriften van toepassing: a) Constructie van de middelen van omsluiting: i) Indien geïntegreerd in het reservoir (bv. een tankcompartiment) moeten zij voldoen aan de toepasselijke voorschriften van hoofdstuk 6.8. ii) Indien permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen bevestigd zijn zij niet aan de constructievoorschriften van het ADR onderworpen, mits zij voldoen aan de volgende voorschriften: Zij moeten zijn gemaakt van metaal en voldoen aan onderstaande vereisten met betrekking tot de minimale wanddikte: Materiaal Minimale wanddiktea Austenitisch roestvast staal 2,5 mm Overig staal 3 mm Aluminiumlegeringen 4 mm Zuiver aluminium van 99,80% 6 mm a Voor dubbelwandige middelen van omsluiting gelden de voorgeschreven waarden voor de dikte van de metalen binnen-en buitenwand tezamen. Lassen dient te geschieden overeenkomstig de eerste paragraaf van 6.8.2.1.23, met dien verstande dat andere geschikte methoden mogen worden aangewend om de kwaliteit van het laswerk te bevestigen. iii) Verpakkingen die op de inrichting voor additieven kunnen worden aangesloten moeten van metaal zijn en voldoen aan de constructievereisten van hoofdstuk 6.1, voor zover van toepassing voor het betreffende additief. b) Tankgoedkeuring Tanks die met inrichtingen voor additieven zijn of zullen worden uitgerust zijn, indien de inrichting voor additieven niet is opgenomen in de oorspronkelijke typegoedkeuring van de tank, onderworpen aan de voorschriften van 6.8.2.3.4. c) Gebruik van middelen van omsluiting en inrichtingen voor additieven i) In het geval van (a) (i) hierboven gelden geen aanvullende vereisten. ii) In het geval van (a) (ii) hierboven mag de totale inhoud van het middel van omsluiting ten hoogste 400 liter per voertuig bedragen. iii) In het geval van (a) (iii) hierboven zijn 7.5.7.5 en 8.3.3 niet van toepassing. De verpakkingen mogen alleen tijdens het lossen van de tank op de inrichting voor additieven worden aangesloten. Tijdens het vervoer moeten de afsluitingen en koppelstukken lekdicht gesloten zijn. d) Beproeving van inrichtingen voor additieven De bepalingen van 6.8.2.4 zijn van toepassing op inrichtingen voor additieven. In het geval van a) i) hierboven hoeven de middelen van omsluiting van de inrichting voor additieven tijdens het eerste, tussentijdse of periodieke onderzoek van de tank echter alleen aan een uitwendige visuele controle en een dichtheidsproef te worden onderworpen. De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij een beproevingsdruk van ten minste 0,2 bar. Opmerking: Voor verpakkingen als beschreven in (a) (iii) hierboven zijn de relevante voorschriften van het ADR van toepassing. e) Vervoersdocument Uitsluitend de in 5.4.1.1.1 (a) t/m (d) voorgeschreven informatie hoeft voor het betreffende additief op het vervoersdocument te worden toegevoegd. In dit geval moet de vermelding "inrichting voor additieven" op het vervoersdocument worden toegevoegd. f) Opleiding van bestuurders Voor bestuurders die overeenkomstig 8.2.1 zijn opgeleid voor het vervoer in tanks van stoffen onder deze positie is geen aanvullende opleiding voor het vervoer van de additieven vereist. g) Aanbrengen van grote etiketten of kenmerking De aanwezigheid van een inrichting voor additieven of van additieven in een inrichting voor additieven heeft geen gevolgen voor het aanbrengen van grote etiketten op of de kenmerking van de vaste tank (tankwagen) of afneembare tank voor het vervoer van stoffen onder deze positie overeenkomstig hoofdstuk 5.3. |
|
| Gelimiteerde hoeveelheden (LQ) | 500 ml |
| Vrijgestelde hoeveelheden | E3 |
| Verpakkingsinstructies | P001 |
| Bijzondere bepalingen voor verpakkingen | |
| Gezamenlijke verpakking | MP7, MP17 |
| Instructies voor transporttanks | T11 |
| Bzb voor transporttanks | TP1, TP8, TP28 |
| Tankcode | L4BN |
| Bijzondere bepalingen tanks | |
| Voertuig voor tankvervoer | FL |
| Vervoerscategorie | 1 |
| Tunnelcode | (D/E) |
| Bzb voor stukgoed vervoer | |
| Bzb voor losgestort vervoer | |
| Bzb bij laden en lossen | |
| Bzb voor het bedrijf | S2, S20 |
| Gevaarsidentificatie nummer | 33 |
BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (dampdruk bij 50 °C hoger dan 110 kPa)
Op het vervoersdocument: UN 1863 BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Variant 2 van 4
| 33 |
| 1863 |
| UN-nummer | 1863 |
| Benaming en beschrijving | BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (dampdruk bij 50 °C hoger dan 110 kPa) |
| Engelse benaming | FUEL, AVIATION, TURBINE ENGINE (vapour pressure at 50 °C more than 110 kPa) |
| Duitse benaming | DÜSENKRAFTSTOFF (Dampfdruck bei 50 °C größer als 110 kPa) |
| Franse benaming | CARBURÉACTEUR (pression de vapeur à 50 °C supérieure à 110 kPa) |
| Klasse | 3 |
| Classificatiecode | F1 |
| Verpakkingsgroep | II |
| Etiket(ten) | 3 |
| Bijzondere bepaling(en) | 640 , 664 |
Bijzondere bepaling 640De fysische en technische eigenschappen, vermeld in kolom (2) van tabel A van hoofdstuk 3.2, bepalen de verschillende tankcoderingen voor het vervoer van stoffen van dezelfde verpakkingsgroep in ADR-tanks. Teneinde deze fysische en technische eigenschappen van het in een tank vervoerde product vast te stellen, moet alleen bij het vervoer in een ADR-tank het volgende worden toegevoegd aan de voorgeschreven aanduidingen in het vervoersdocument: “Bijzondere bepaling 640X”, waarin “X” de betreffende hoofdletter is die voorkomt achter de verwijzing naar bijzondere bepaling 640 in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Deze aanduiding kan bij het vervoer in een type tank, dat voldoet aan de hoogste eisen voor een bepaalde verpakkingsgroep van een bepaald UN-nummer, achterwege blijven. Bijzondere bepaling 664Wanneer stoffen onder deze positie worden vervoerd in vaste tanks (tankwagens) of in afneembare tanks, mogen deze tanks zijn uitgerust met inrichtingen voor additieven. Inrichtingen voor additieven: a) maken deel uit van de bedrijfsuitrusting voor de toevoer van additieven van UN 1202, UN 1993, verpakkingsgroep III, UN 3082 of niet gevaarlijke stoffen tijdens het lossen van de tank; b) bestaan uit onderdelen als verbindingsleidingen en -slangen, afsluitinrichtingen, pompen en doseringsinrichtingen die permanent met de losinrichting van de bedrijfsuitrusting van de tank verbonden zijn; c) bevatten middelen van omsluiting die geïntegreerd zijn in het reservoir of permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen zijn bevestigd. Inrichtingen voor additieven kunnen ook zijn voorzien van koppelstukken voor het aansluiten van verpakkingen. In dat geval wordt de verpakking zelf niet als onderdeel van de inrichting voor additieven beschouwd. Afhankelijk van de configuratie zijn de volgende voorschriften van toepassing: a) Constructie van de middelen van omsluiting: i) Indien geïntegreerd in het reservoir (bv. een tankcompartiment) moeten zij voldoen aan de toepasselijke voorschriften van hoofdstuk 6.8. ii) Indien permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen bevestigd zijn zij niet aan de constructievoorschriften van het ADR onderworpen, mits zij voldoen aan de volgende voorschriften: Zij moeten zijn gemaakt van metaal en voldoen aan onderstaande vereisten met betrekking tot de minimale wanddikte: Materiaal Minimale wanddiktea Austenitisch roestvast staal 2,5 mm Overig staal 3 mm Aluminiumlegeringen 4 mm Zuiver aluminium van 99,80% 6 mm a Voor dubbelwandige middelen van omsluiting gelden de voorgeschreven waarden voor de dikte van de metalen binnen-en buitenwand tezamen. Lassen dient te geschieden overeenkomstig de eerste paragraaf van 6.8.2.1.23, met dien verstande dat andere geschikte methoden mogen worden aangewend om de kwaliteit van het laswerk te bevestigen. iii) Verpakkingen die op de inrichting voor additieven kunnen worden aangesloten moeten van metaal zijn en voldoen aan de constructievereisten van hoofdstuk 6.1, voor zover van toepassing voor het betreffende additief. b) Tankgoedkeuring Tanks die met inrichtingen voor additieven zijn of zullen worden uitgerust zijn, indien de inrichting voor additieven niet is opgenomen in de oorspronkelijke typegoedkeuring van de tank, onderworpen aan de voorschriften van 6.8.2.3.4. c) Gebruik van middelen van omsluiting en inrichtingen voor additieven i) In het geval van (a) (i) hierboven gelden geen aanvullende vereisten. ii) In het geval van (a) (ii) hierboven mag de totale inhoud van het middel van omsluiting ten hoogste 400 liter per voertuig bedragen. iii) In het geval van (a) (iii) hierboven zijn 7.5.7.5 en 8.3.3 niet van toepassing. De verpakkingen mogen alleen tijdens het lossen van de tank op de inrichting voor additieven worden aangesloten. Tijdens het vervoer moeten de afsluitingen en koppelstukken lekdicht gesloten zijn. d) Beproeving van inrichtingen voor additieven De bepalingen van 6.8.2.4 zijn van toepassing op inrichtingen voor additieven. In het geval van a) i) hierboven hoeven de middelen van omsluiting van de inrichting voor additieven tijdens het eerste, tussentijdse of periodieke onderzoek van de tank echter alleen aan een uitwendige visuele controle en een dichtheidsproef te worden onderworpen. De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij een beproevingsdruk van ten minste 0,2 bar. Opmerking: Voor verpakkingen als beschreven in (a) (iii) hierboven zijn de relevante voorschriften van het ADR van toepassing. e) Vervoersdocument Uitsluitend de in 5.4.1.1.1 (a) t/m (d) voorgeschreven informatie hoeft voor het betreffende additief op het vervoersdocument te worden toegevoegd. In dit geval moet de vermelding "inrichting voor additieven" op het vervoersdocument worden toegevoegd. f) Opleiding van bestuurders Voor bestuurders die overeenkomstig 8.2.1 zijn opgeleid voor het vervoer in tanks van stoffen onder deze positie is geen aanvullende opleiding voor het vervoer van de additieven vereist. g) Aanbrengen van grote etiketten of kenmerking De aanwezigheid van een inrichting voor additieven of van additieven in een inrichting voor additieven heeft geen gevolgen voor het aanbrengen van grote etiketten op of de kenmerking van de vaste tank (tankwagen) of afneembare tank voor het vervoer van stoffen onder deze positie overeenkomstig hoofdstuk 5.3. |
|
| Gelimiteerde hoeveelheden (LQ) | 1 L |
| Vrijgestelde hoeveelheden | E2 |
| Verpakkingsinstructies | P001 |
| Bijzondere bepalingen voor verpakkingen | |
| Gezamenlijke verpakking | MP19 |
| Instructies voor transporttanks | T4 |
| Bzb voor transporttanks | TP1, TP8 |
| Tankcode | L1,5BN |
| Bijzondere bepalingen tanks | |
| Voertuig voor tankvervoer | FL |
| Vervoerscategorie | 2 |
| Tunnelcode | (D/E) |
| Bzb voor stukgoed vervoer | |
| Bzb voor losgestort vervoer | |
| Bzb bij laden en lossen | |
| Bzb voor het bedrijf | S2, S20 |
| Gevaarsidentificatie nummer | 33 |
BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (dampdruk bij 50 °C ten hoogste 110 kPa)
Op het vervoersdocument: UN 1863 BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Variant 3 van 4
| 33 |
| 1863 |
| UN-nummer | 1863 |
| Benaming en beschrijving | BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (dampdruk bij 50 °C ten hoogste 110 kPa) |
| Engelse benaming | FUEL, AVIATION, TURBINE ENGINE (vapour pressure at 50 °C not more than 110 kPa) |
| Duitse benaming | DÜSENKRAFTSTOFF (Dampfdruck bei 50 °C höchstens 110 kPa) |
| Franse benaming | CARBURÉACTEUR (pression de vapeur à 50 °C inférieure ou égale à 110 kPa) |
| Klasse | 3 |
| Classificatiecode | F1 |
| Verpakkingsgroep | II |
| Etiket(ten) | 3 |
| Bijzondere bepaling(en) | 640 , 664 |
Bijzondere bepaling 640De fysische en technische eigenschappen, vermeld in kolom (2) van tabel A van hoofdstuk 3.2, bepalen de verschillende tankcoderingen voor het vervoer van stoffen van dezelfde verpakkingsgroep in ADR-tanks. Teneinde deze fysische en technische eigenschappen van het in een tank vervoerde product vast te stellen, moet alleen bij het vervoer in een ADR-tank het volgende worden toegevoegd aan de voorgeschreven aanduidingen in het vervoersdocument: “Bijzondere bepaling 640X”, waarin “X” de betreffende hoofdletter is die voorkomt achter de verwijzing naar bijzondere bepaling 640 in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Deze aanduiding kan bij het vervoer in een type tank, dat voldoet aan de hoogste eisen voor een bepaalde verpakkingsgroep van een bepaald UN-nummer, achterwege blijven. Bijzondere bepaling 664Wanneer stoffen onder deze positie worden vervoerd in vaste tanks (tankwagens) of in afneembare tanks, mogen deze tanks zijn uitgerust met inrichtingen voor additieven. Inrichtingen voor additieven: a) maken deel uit van de bedrijfsuitrusting voor de toevoer van additieven van UN 1202, UN 1993, verpakkingsgroep III, UN 3082 of niet gevaarlijke stoffen tijdens het lossen van de tank; b) bestaan uit onderdelen als verbindingsleidingen en -slangen, afsluitinrichtingen, pompen en doseringsinrichtingen die permanent met de losinrichting van de bedrijfsuitrusting van de tank verbonden zijn; c) bevatten middelen van omsluiting die geïntegreerd zijn in het reservoir of permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen zijn bevestigd. Inrichtingen voor additieven kunnen ook zijn voorzien van koppelstukken voor het aansluiten van verpakkingen. In dat geval wordt de verpakking zelf niet als onderdeel van de inrichting voor additieven beschouwd. Afhankelijk van de configuratie zijn de volgende voorschriften van toepassing: a) Constructie van de middelen van omsluiting: i) Indien geïntegreerd in het reservoir (bv. een tankcompartiment) moeten zij voldoen aan de toepasselijke voorschriften van hoofdstuk 6.8. ii) Indien permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen bevestigd zijn zij niet aan de constructievoorschriften van het ADR onderworpen, mits zij voldoen aan de volgende voorschriften: Zij moeten zijn gemaakt van metaal en voldoen aan onderstaande vereisten met betrekking tot de minimale wanddikte: Materiaal Minimale wanddiktea Austenitisch roestvast staal 2,5 mm Overig staal 3 mm Aluminiumlegeringen 4 mm Zuiver aluminium van 99,80% 6 mm a Voor dubbelwandige middelen van omsluiting gelden de voorgeschreven waarden voor de dikte van de metalen binnen-en buitenwand tezamen. Lassen dient te geschieden overeenkomstig de eerste paragraaf van 6.8.2.1.23, met dien verstande dat andere geschikte methoden mogen worden aangewend om de kwaliteit van het laswerk te bevestigen. iii) Verpakkingen die op de inrichting voor additieven kunnen worden aangesloten moeten van metaal zijn en voldoen aan de constructievereisten van hoofdstuk 6.1, voor zover van toepassing voor het betreffende additief. b) Tankgoedkeuring Tanks die met inrichtingen voor additieven zijn of zullen worden uitgerust zijn, indien de inrichting voor additieven niet is opgenomen in de oorspronkelijke typegoedkeuring van de tank, onderworpen aan de voorschriften van 6.8.2.3.4. c) Gebruik van middelen van omsluiting en inrichtingen voor additieven i) In het geval van (a) (i) hierboven gelden geen aanvullende vereisten. ii) In het geval van (a) (ii) hierboven mag de totale inhoud van het middel van omsluiting ten hoogste 400 liter per voertuig bedragen. iii) In het geval van (a) (iii) hierboven zijn 7.5.7.5 en 8.3.3 niet van toepassing. De verpakkingen mogen alleen tijdens het lossen van de tank op de inrichting voor additieven worden aangesloten. Tijdens het vervoer moeten de afsluitingen en koppelstukken lekdicht gesloten zijn. d) Beproeving van inrichtingen voor additieven De bepalingen van 6.8.2.4 zijn van toepassing op inrichtingen voor additieven. In het geval van a) i) hierboven hoeven de middelen van omsluiting van de inrichting voor additieven tijdens het eerste, tussentijdse of periodieke onderzoek van de tank echter alleen aan een uitwendige visuele controle en een dichtheidsproef te worden onderworpen. De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij een beproevingsdruk van ten minste 0,2 bar. Opmerking: Voor verpakkingen als beschreven in (a) (iii) hierboven zijn de relevante voorschriften van het ADR van toepassing. e) Vervoersdocument Uitsluitend de in 5.4.1.1.1 (a) t/m (d) voorgeschreven informatie hoeft voor het betreffende additief op het vervoersdocument te worden toegevoegd. In dit geval moet de vermelding "inrichting voor additieven" op het vervoersdocument worden toegevoegd. f) Opleiding van bestuurders Voor bestuurders die overeenkomstig 8.2.1 zijn opgeleid voor het vervoer in tanks van stoffen onder deze positie is geen aanvullende opleiding voor het vervoer van de additieven vereist. g) Aanbrengen van grote etiketten of kenmerking De aanwezigheid van een inrichting voor additieven of van additieven in een inrichting voor additieven heeft geen gevolgen voor het aanbrengen van grote etiketten op of de kenmerking van de vaste tank (tankwagen) of afneembare tank voor het vervoer van stoffen onder deze positie overeenkomstig hoofdstuk 5.3. |
|
| Gelimiteerde hoeveelheden (LQ) | 1 L |
| Vrijgestelde hoeveelheden | E2 |
| Verpakkingsinstructies | P001, IBC02, R001 |
| Bijzondere bepalingen voor verpakkingen | |
| Gezamenlijke verpakking | MP19 |
| Instructies voor transporttanks | T4 |
| Bzb voor transporttanks | TP1, TP8 |
| Tankcode | LGBF |
| Bijzondere bepalingen tanks | |
| Voertuig voor tankvervoer | FL |
| Vervoerscategorie | 2 |
| Tunnelcode | (D/E) |
| Bzb voor stukgoed vervoer | |
| Bzb voor losgestort vervoer | |
| Bzb bij laden en lossen | |
| Bzb voor het bedrijf | S2, S20 |
| Gevaarsidentificatie nummer | 33 |
BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Op het vervoersdocument: UN 1863 BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN
Variant 4 van 4
| 30 |
| 1863 |
| UN-nummer | 1863 |
| Benaming en beschrijving | BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN |
| Engelse benaming | FUEL, AVIATION, TURBINE ENGINE |
| Duitse benaming | DÜSENKRAFTSTOFF |
| Franse benaming | CARBURÉACTEUR |
| Klasse | 3 |
| Classificatiecode | F1 |
| Verpakkingsgroep | III |
| Etiket(ten) | 3 |
| Bijzondere bepaling(en) | 664 |
Bijzondere bepaling 664Wanneer stoffen onder deze positie worden vervoerd in vaste tanks (tankwagens) of in afneembare tanks, mogen deze tanks zijn uitgerust met inrichtingen voor additieven. Inrichtingen voor additieven: a) maken deel uit van de bedrijfsuitrusting voor de toevoer van additieven van UN 1202, UN 1993, verpakkingsgroep III, UN 3082 of niet gevaarlijke stoffen tijdens het lossen van de tank; b) bestaan uit onderdelen als verbindingsleidingen en -slangen, afsluitinrichtingen, pompen en doseringsinrichtingen die permanent met de losinrichting van de bedrijfsuitrusting van de tank verbonden zijn; c) bevatten middelen van omsluiting die geïntegreerd zijn in het reservoir of permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen zijn bevestigd. Inrichtingen voor additieven kunnen ook zijn voorzien van koppelstukken voor het aansluiten van verpakkingen. In dat geval wordt de verpakking zelf niet als onderdeel van de inrichting voor additieven beschouwd. Afhankelijk van de configuratie zijn de volgende voorschriften van toepassing: a) Constructie van de middelen van omsluiting: i) Indien geïntegreerd in het reservoir (bv. een tankcompartiment) moeten zij voldoen aan de toepasselijke voorschriften van hoofdstuk 6.8. ii) Indien permanent aan de buitenzijde van de tank of tankwagen bevestigd zijn zij niet aan de constructievoorschriften van het ADR onderworpen, mits zij voldoen aan de volgende voorschriften: Zij moeten zijn gemaakt van metaal en voldoen aan onderstaande vereisten met betrekking tot de minimale wanddikte: Materiaal Minimale wanddiktea Austenitisch roestvast staal 2,5 mm Overig staal 3 mm Aluminiumlegeringen 4 mm Zuiver aluminium van 99,80% 6 mm a Voor dubbelwandige middelen van omsluiting gelden de voorgeschreven waarden voor de dikte van de metalen binnen-en buitenwand tezamen. Lassen dient te geschieden overeenkomstig de eerste paragraaf van 6.8.2.1.23, met dien verstande dat andere geschikte methoden mogen worden aangewend om de kwaliteit van het laswerk te bevestigen. iii) Verpakkingen die op de inrichting voor additieven kunnen worden aangesloten moeten van metaal zijn en voldoen aan de constructievereisten van hoofdstuk 6.1, voor zover van toepassing voor het betreffende additief. b) Tankgoedkeuring Tanks die met inrichtingen voor additieven zijn of zullen worden uitgerust zijn, indien de inrichting voor additieven niet is opgenomen in de oorspronkelijke typegoedkeuring van de tank, onderworpen aan de voorschriften van 6.8.2.3.4. c) Gebruik van middelen van omsluiting en inrichtingen voor additieven i) In het geval van (a) (i) hierboven gelden geen aanvullende vereisten. ii) In het geval van (a) (ii) hierboven mag de totale inhoud van het middel van omsluiting ten hoogste 400 liter per voertuig bedragen. iii) In het geval van (a) (iii) hierboven zijn 7.5.7.5 en 8.3.3 niet van toepassing. De verpakkingen mogen alleen tijdens het lossen van de tank op de inrichting voor additieven worden aangesloten. Tijdens het vervoer moeten de afsluitingen en koppelstukken lekdicht gesloten zijn. d) Beproeving van inrichtingen voor additieven De bepalingen van 6.8.2.4 zijn van toepassing op inrichtingen voor additieven. In het geval van a) i) hierboven hoeven de middelen van omsluiting van de inrichting voor additieven tijdens het eerste, tussentijdse of periodieke onderzoek van de tank echter alleen aan een uitwendige visuele controle en een dichtheidsproef te worden onderworpen. De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij een beproevingsdruk van ten minste 0,2 bar. Opmerking: Voor verpakkingen als beschreven in (a) (iii) hierboven zijn de relevante voorschriften van het ADR van toepassing. e) Vervoersdocument Uitsluitend de in 5.4.1.1.1 (a) t/m (d) voorgeschreven informatie hoeft voor het betreffende additief op het vervoersdocument te worden toegevoegd. In dit geval moet de vermelding "inrichting voor additieven" op het vervoersdocument worden toegevoegd. f) Opleiding van bestuurders Voor bestuurders die overeenkomstig 8.2.1 zijn opgeleid voor het vervoer in tanks van stoffen onder deze positie is geen aanvullende opleiding voor het vervoer van de additieven vereist. g) Aanbrengen van grote etiketten of kenmerking De aanwezigheid van een inrichting voor additieven of van additieven in een inrichting voor additieven heeft geen gevolgen voor het aanbrengen van grote etiketten op of de kenmerking van de vaste tank (tankwagen) of afneembare tank voor het vervoer van stoffen onder deze positie overeenkomstig hoofdstuk 5.3. |
|
| Gelimiteerde hoeveelheden (LQ) | 5 L |
| Vrijgestelde hoeveelheden | E1 |
| Verpakkingsinstructies | P001, IBC03, LP01, R001 |
| Bijzondere bepalingen voor verpakkingen | |
| Gezamenlijke verpakking | MP19 |
| Instructies voor transporttanks | T2 |
| Bzb voor transporttanks | TP1 |
| Tankcode | LGBF |
| Bijzondere bepalingen tanks | |
| Voertuig voor tankvervoer | FL |
| Vervoerscategorie | 3 |
| Tunnelcode | (D/E) |
| Bzb voor stukgoed vervoer | V12 |
| Bzb voor losgestort vervoer | |
| Bzb bij laden en lossen | |
| Bzb voor het bedrijf | S2 |
| Gevaarsidentificatie nummer | 30 |
Zoek op stofnaam
Vul een deel van een stofnaam in en klik op de gewenste stof om alle gegevens te bekijken, inclusief UN-nummer, klasse, tunnelcode en bijzondere bepalingen.
Fout op het vervoersdocument (UN-nummer, vervoersnaam, etiket of verpakkingsgroep): boete € 1.900 per betrokken partij volgens de OM-richtlijn 2024R010. Alle ADR-boetes en de handhaving door de ILT
Werkt u met deze stof? Denk aan de ADR 1.3 opleiding
Onder de 1000 punten van ADR 1.1.3.6 vervalt het chauffeursdiploma, maar de opleidingsplicht van ADR hoofdstuk 1.3 blijft gewoon gelden. Die geldt niet alleen voor de chauffeur, maar voor iedereen die betrokken is bij het vervoer van gevaarlijke goederen: verpakken, laden, lossen, classificeren en het opmaken van de vrachtbrief.
Deze training volgt u online op adr-awareness.nl: op eigen tempo, zonder cursusdag, met een certificaat op naam waarmee u bij een inspectie kunt aantonen dat uw medewerkers zijn opgeleid. Schrijft u meerdere collega's tegelijk in, dan geldt een staffelkorting via 1136.nl.
ADR 1.3 opleiding online volgen Wanneer is ADR 1.3 verplicht?